Resultaten enquête over kerkopbouw in tijd van afbraak

ENQUETE ONDER PREDIKANTEN OVER KERKOPBOUW JANUARI-FEBRUARI 2015

Inleiding

Om de recent opgerichte stichting Leven uit de Bron een ‘boost’ te geven en tevens de werkzaamheden van ds. Marius Noorloos rond het door hem in gang gezette project Leven uit de Bron passend af te sluiten wordt een symposium belegd op woensdag 22 april 2015 in Nijkerk. Thema van dat symposium is: ‘Kerkopbouw in een tijd van afbraak’, met als sprekers dr. Sake Stoppels en Prof. Dr. Mees te Velde.

Met het thema van het symposium is bedoeld dat zich twee contrasterende ontwikkelingen voordoen: enerzijds sterke terugloop van de belangstelling voor kerkelijke activiteiten, zich o.m. uitend in sluiting van talloze kerkgebouwen en afstoting van arbeidsplaatsen, anderzijds her en der projecten die (re)vitalisering van gemeenten tot doel hebben.   Tussen die verschillende bewegingen zoekt de stichting haar weg. Ze is ervan overtuigd dat het concept ‘gemeenteopbouw door geloofsopbouw’ van grote betekenis is voor het kerkelijke leven, maar constateert tevens dat het bereik daarvan tot op heden vrij beperkt is. Het is wenselijk dat méér predikanten, kerkenraden en gemeenten in diverse kerken met het project aan de slag gaan, om te beginnen door het volgen van trainingen die in samenwerking met de Theologische Universiteit Kampen (TUK) en de IZB plaatsvinden. Daartoe is het ook gewenst dat de stichting inzicht heeft in de opvattingen en ervaringen van predikanten en de wensen en vragen die op het grondvlak leven.

Met het oog daarop is in januari 2015 een enquête uitgegaan onder circa 3400 predikanten die werkzaam zijn of zijn geweest binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK). De actie is vervolgens ondersteund via mailings van de TUK naar haar adressenbestand en van Leven uit de Bron zelf naar lezers van haar Nieuwsbrief.

Respons en samenstelling respondenten

Er hebben meer dan 200 predikanten gereageerd

  • 15% is vrouw
  • 20% is emeritus, de overigen zijn dienstdoend predikant, vrijwel altijd in een gemeente
  • ruim 75% behoort tot de PKN, de overigen tot de GKv, de CGK of de NGK
  • onder de PKN-predikanten zijn de ‘bloedgroepen’ redelijk vertegenwoordigd, met wel enige oververtegenwoordiging van ‘bonders’ en confessionelen.

De drie vragen

In overleg met Sake Stoppels zijn drie vragen aan de predikanten voorgelegd:

  1. Welke elementen of ingrediënten voor kerkopbouw zijn voor u het meest cruciaal in deze tijd van kerkverlating? (max. 3 antwoorden)
  2. Welke bedreigingen ziet u voor kerkopbouw in deze tijd? (idem)
  3. Welke praktijkles die u zelf hebt geleerd op het terrein van kerkopbouw wilt u aan collega’s meegeven?

Drie ‘open’ vragen dus, die ruimte geven voor de meest uiteenlopende antwoorden. Aan de predikanten was gevraagd kort en bondig te reageren, maar niettemin maakten sommigen van de gelegenheid gebruik om hun opvattingen en ervaringen uitvoerig uiteen te zetten. In enkele gevallen liep dat uit op hele verhandelingen, commentaar op kerkelijke verhoudingen of zelfs persoonlijke confidenties. Ook als men korter van stof was, is duidelijk dat velen met grote betrokkenheid en geraaktheid door het thema hebben gereageerd. Men voelde zich kennelijk aangesproken. Niet in de laatste plaats geldt dit voor de emeriti onder hen. Afstand tot het praktische werk verhinderde kennelijk niet om zich over de gestelde vragen te buigen.

Enkele opmerkingen bij de respons

Het kan niet de bedoeling zijn om in het kader van deze verslaggeving uitputtend in te gaan op het vele dat in de beantwoording te berde is gebracht. We hebben te maken met een ‘Fundgrube’, om Sake Stoppels te citeren, waar meer studie voor nodig is. Het is eenvoudig te veel wat hier allemaal ter sprake wordt gebracht. Uiteraard zie ik uit naar de conclusies die Stoppels en Te Velde aan een en ander verbinden. Daarnaast zou het goed zijn als degenen die zich bezighouden met de trainingen en andere activiteiten in het seizoen 2015-2016 het lijvige overzicht van de enquête doornemen om te kijken of er vragen en discussiepunten naar voren komen waar tijdens bijeenkomsten bij kan/moet worden stilgestaan, omdat ze kennelijk ‘in het veld’ leven.

Voor nu wil ik volstaan met enkele waarnemingen:

  1. Het lijkt erop dat veel predikanten ‘back to the basics’ willen. Als men aangedragen onderwerpen onder vraag 1 gaat turven, springen twee thema’s eruit: gemeenschapsvorming, met allerlei aspecten en varianten van dat thema die de revue passeren (de gemeente als open cirkel, groeien en bloeien in relaties, kleine kringen, omzien naar elkaar, warme en open sfeer, een gemeente waar men zich thuis voelt, ontmoetingsmomenten, aansluiten bij wat bij mensen leeft, gastvrijheid etc.) en een evangelieverkondiging die aanspreekt (ook weer met varianten als: het Woord centraal, overgave aan Christus, contextueel preken, Bijbelstudie in de gemeente, authentiek zijn als voorganger, eigentijds gereformeerd, doorleefd geloof, openstaan voor het waaien van de Geest etc.). Men kan de vraag stellen of deze hoofdaccenten vooral te maken hebben met reflectie op het eigen werk van de predikant, terwijl het thema ‘kerkopbouw’ toch wel wat breder is; zo mis ik enkele onderwerpen, zoals missionair en diaconaal werk en liturgie in bredere zin.  Toch denk ik dat de meeste respondenten inderdaad menen dat het op de twee genoemde hoofdthema’s aankomt.
  2. Bij de bedreigingen valt op dat ze tot op grote hoogte spiegelbeeldig zijn ten opzichte van de antwoorden op vraag 1.  Tegenover de nadruk op de kerk als levende gemeenschap waarin men structureel relaties aangaat met elkaar, staat het gesignaleerde gevaar van individualisme of individualisering, opvallend vaak onder 2 genoemd, ook weer met varianten.  Tegenover het pleidooi onder 1 voor een aansprekende en appellerende prediking staat de klacht onder 2 dat veel preken inspiratieloos, vlak, oppervlakkig zijn. Er wordt zelfs van ‘slappe’ en ‘pamperende’ preken gesproken.  Realistisch is dan wel weer de opmerking dat een ‘heel goede’ preek veel voorbereidingstijd vereist en dat die tijd niet altijd beschikbaar is. Wellicht ook een kwestie van prioriteiten.
  3. Bij kerkopbouw gaat het onder meer om de relatie van ‘binnen’ en ‘buiten’. Bedreigingen, zo geven sommige respondenten aan, zijn er niet alleen van buiten (denk aan de individualisering van de maatschappij), maar ook van binnen. Gemeenten kunnen te sterk bezig zijn met overleven of gericht zijn op het instituut van de kerk. De kerk wordt doel in zichzelf en niet middel voor het naderbij komen van het Koninkrijk Gods. Dienst in de samenleving, pionieren in de samenleving worden belangrijk geacht voor kerkopbouw. Dat gaat nog wel verder dan dat de gemeente een ‘open cirkel’ is en openstaat voor gasten c.q. nieuwkomers.  Een Nederlands Gereformeerde predikante schrijft: ‘Kijken met de ogen van de buurt geeft een frisse blik en verrassende perspectieven, die ook met jou iets doen’. Een PKN-predikante stelt dat vernieuwing meestal aan de rand van de kerk begint en daar ook maar het best een tijd kan blijven. Mensen buiten de kerk of aan de rand ervan ‘kijken vaak scherper en zijn meer in staat de relatieve zelfstandigheid te bewaren die nodig is’. Een emeritus predikant die veel werk verzette in landelijke, kerkelijke en oecumenische organen merkt op dat men ‘juist in confrontatie met maatschappelijke cruciale vragen op de kern van het Evangelie werd teruggeworpen’. Gevolg was ‘gemeenschapsvorming waarbij buitenstaanders en kerkmensen betrokken raakten’. Hij ziet dat als een vorm van kerkwording. Er is dus niet alleen een weg van ‘binnen’ naar ‘buiten’, ook de omgekeerde route is begaanbaar en stimulerend voor kerkopbouw.
  4. Het zou interessant zijn om te kijken naar punten waar respondenten met elkaar van mening verschillen. Een van die punten betreft het samenleven van verschillende generaties in de kerk. Sommigen zoeken de verbinding van generaties en wijzen ‘peergroups’ af. Er wordt op gewezen dat het samengaan van generaties een bijzonder kenmerk van de kerk is, al staat de praktijk hiermee soms op gespannen voet. Anderen willen juist graag leeftijdgenoten bij elkaar brengen, onder meer omdat anders leden tussen 20 en 45 jaar gemakkelijk ondersneeuwen in de ‘grijsheid’, die in veel gemeenten dominant is. Aandacht voor jeugd en jongeren wordt meer dan eens bepleit. Iemand schrijft dat een predikant af en toe moet aanschuiven bij jongeren omdat je dan op andere vragen stuit dan de gebruikelijke. Het viel hem op dat jongeren Jezus bewonderden om zijn zelfvertrouwen en zijn moed om tegen de stroom in te roeien. Dat leverde wel weer een andere kijk op.
  5. Voor de speeches op 22 april en voor het beleid rond de trainingen is ongetwijfeld van veel belang wat de vraag naar ‘praktijklessen’ (vraag 3) opleverde. Algemene oproepen om de gemeenschap te onderhouden, aandacht te hebben voor mensen, te bidden, in de Bijbel te lezen, vol te houden etc. laat ik terzijde. Ik richt mij nu op concrete actiepunten en op opmerkingen die enige verrassing bij de lezer oproepen. Dan komt (afgezien van het al genoemde) de volgende waslijst uit de bus:
  • De vertaling van een ‘gastvrije gemeente’ naar ‘gastvrijheid thuis’, dus op gezinsniveau. Preek daar ook over.
  • Zorg voor zowel ‘comfort’ als ‘challenge’.
  • Een kleine groep (plm. 50) kan NT-ischer zijn dan een grote gemeente. Werk in zulke gevallen regionaal samen.
  • Goede muziek raakt mensen soms dieper dan preken. Let daarbij op kwaliteit. Ook op muzikaal gebied is instructie nodig.
  • Ontmoetingsgroepen waarin je het leven deelt en geloofsonderwerpen bespreekt: wauw. Ik doe er een paar per week, al 15 jaar, en krijg er geen genoeg van.
  • Probeer niet tegemoet te komen aan allerlei wensen om mensen ‘vast te houden’. Wie wil overstappen naar een andere kerk doet dit uiteindelijk toch, en loyale kerkleden verlies je ermee, omdat zij zich niet meer thuisvoelen.
  • Onderwijs in diverse vormen is belangrijk. Veel pastoraat is erop gericht de mensen vissen te geven, maar: geef ze een hengel (vgl. ontwikkelingswerk).
  • Neem de tijd voor het vieren van de band met God, persoonlijk en gezamenlijk.
  • Half lidmaat zijn is net zo onbestaanbaar als een beetje zwanger. Plaats mensen voor keuzes.
  • Organiseer mensen in kringen met gradaties van onderlinge betrokkenheid. Als die kringen een bepaalde taak uitvoeren, mag dat nooit in de plaats komen van onderlinge opbouw.
  • Voor het welslagen van een project maakt het veel uit of er veel, weinig of niet voor gebeden is. Al kan God meer dan wij bidden of beseffen.
  • Alphacursus is heilzaam. Bied geloofsopbouw op een open manier aan.
  • Loop niet te ver voor de mensen uit.
  • Thema-avonden in café, filmavonden, excursies met jongeren naar daklozenhuis of voedselbank. Faciliteer zo goed mogelijk, schenk koffie, thee of fris, zorg voor een uitnodigende omgeving, geen deprimerende donkerbruine zaaltjes.
  • Denk omgevingsgericht: kerk in een dorp is anders dan in een stad.
  • Variatie in het aanbod, diverse doelgroepen. Ook bv. wandelingen, museumbezoek, films, gesprekskringen over boeken die in de aandacht staan.
  • Ga met je talenten in het licht staan, verbind je zichtbaar met de samenleving.
  • Nieuwe activiteiten vragen om nieuwe vrijwilligers, anders raakt de bestaande groep overbelast.
  • Leg de nadruk op kleine groepen en de toerusting daarvan. Laat de mensen zelf bouwstenen aanreiken voor de relatie met God, elkaar en de wereld.
  • Verbinden van twee gemeenten tot één werkt goed.
  • Toch maar weer huisbezoek, vooral aan onbekende leden.
  • Doopouders na een jaar bezoeken met een koffertje met knuffel, programma voor de crèche, boekje en CD.
  • Doe onderzoek: demografisch en naar lokaal beleid i.v.m. toekomstige ontwikkelingen.
  • Gebruik de kerk als samenkomstplaats, niet als doel op zich.
  • Betrek zoveel mogelijk mensen bij plannen. Je moet er samen achter staan. Zo niet, dan voelen de actievelingen zich uiteindelijk te weinig gesteund.
  • Ga met je gemeente naar buiten. Leg contacten met de burgerlijke overheid en met niet- of anders-gelovigen. Organiseer met hen activiteiten, zodat ontmoeting kan ontstaan. In verband met bezuinigingen in de zorg en op sociale zaken: organiseer je zodanig dat mensen bij jou terecht kunnen.
  • Samenhangende aanpak gewenst van het bedienen van kernleden, activiteiten waarmee je het evangelie uitdraagt, en activiteiten die zonder dubbele agenda aan de samenleving worden aangeboden.
  • Formuleer voor jezelf wat de kern is van geloven en kerk-zijn en breng dat overal in als aanzet voor gesprek en reflectie. Wees bereid die visie ook weer aan te passen.
  • Breng mensen bij elkaar voor het geloofsgesprek. Maak duidelijk wat vergeving en vernieuwing betekent.
  • Wees een geëngageerde gemeenschap met een uitstraling naar buiten. Door musicals en een projectkoor bleek het mogelijk ook randleden te enthousiasmeren.
  • Werkelijk opbouwen lukt alleen als mensen zich blijvend willen committeren. Steek daarom niet te veel energie in incidentele activiteiten.
  • Extern gaat niet ten koste van intern. Ontmoeting met de ongelovige medemens versterkt het geloof dat wij alleen door genade worden gered. Het werkt ook reinigend naar onderlinge verhoudingen en interne prioriteiten.
  • Als ik tijd neem voor gebed, ervaar ik dat ik eerder klaar ben met mijn taken.
  • Kijk niet te veel naar bedreigingen, kijk naar kansen die zich in elke gemeente voordoen.
  • Werk samen met instellingen in de wijk, stel je open op.
  • Spreek de taal van diverse groepen in de gemeente: de intellectueel, de bouwvakker, de boer, werklozen etc. Ik heb er als ‘late roeping’ veel voordeel van gehad dat ik eerst allerlei andere beroepen heb beoefend.
  • Tussen collega’s wordt te veel geklaagd. Dank God zonder ophouden en besef dat Jezus voor je bidt.
  • Laat zien wie je bent en waar je voor staat, wees open, gastvrij en beschikbaar, daar komt reactie op!
  • Open mind is belangrijk. Op die manier kon ik mee adviseren over het samengaan van een openbare en een christelijke school, speciaal het godsdienstonderwijs. Dat was ook weer bevorderlijk voor de jeugdactiviteiten van de gemeente.
  • Diepgaande studie maken van gedeelten van de Bijbel en deze linken met de actualiteit.
  • Projectmatig werken, met jaarthema’s. Huiskamergesprekken met leden van de middengeneratie versterkt betrokkenheid bij degenen die op de drempel van de kerk wonen.
  • De kerk moet haar gezicht weer laten zien en ophouden genoegen te nemen met een marginale positie en een veilig en onschuldig isolement.
  • Wees een blijmoedig voorganger en wees gul met complimenten. Laat je vrijwilligers zich gezien weten!
  • Werk aan een realistisch-positief zelfbeeld van de gemeente. Daar willen anderen zich wel bij aansluiten.
  • Diepgang in gesprekken. Ik ben gaan luisteren: open, oprecht geïnteresseerd, zonder geheime agenda of bijbedoeling. Verrassend genoeg komt men dan zelf met geloofsvragen.
  • Durf te rouwen om kerkverlating en durf gemeenteleden hierin te begeleiden. Durf te stoppen met dingen die niet meer lopen.
  • Ruimte geven aan jongeren die als ze met ideeën komen ook zelf actief zullen worden en verantwoordelijkheden willen dragen (combodiensten, diaconale projecten).
  • Innige en wederkerige relatie tussen Schriftuitleg en PR. Ons verstaan van de Schriften vernieuwt zich doordat mensen van buiten de traditie andere vragen stellen en andere beelden herkennen. Omgekeerd worden mensen van buiten de kerk – en kerkleden – vaak verrast door de wijze waarop bijbelverhalen bestaande beelden doorbreken en andere mensen aan het licht brengen.
  • Alleen een kerk waar de eigen mensen met plezier naar toe gaan (warme sfeer, humor etc.) is aantrekkelijk voor anderen. Als de zorg om de toekomst met grote letters boven de deur staat, is ze zeker niet aantrekkelijk.
  • Gevraagd: een woordvoerder namens de kerken die durft verwoorden dat de wonderen in de Bijbel niet echt gebeurd zijn en dat het verhalen uit een andere tijd zijn. Dat het wel erg verrijkend is om je door de beeldtaal van de Bijbel te laten meenemen. Dat kan een eind maken aan de karikatuur van naïeve gelovigen, die telkens weer door de media wordt bevestigd.
  • Wees een vermenigvuldiger, geen vermeerderaar. Houd meer van de gemeente dan van je eigen ideaal van de gemeente. Besluit vooral ook wat je niet zult doen.
  • Bid elke dag voor een gesprek met een ongelovige.
  • Veel groei is mogelijk als je mensen uitnodigt om mee te doen zonder een binding aan te gaan. Is dat afbraak? Veeleer opbouw.
  • Durf langer te investeren in een proces van verdieping en vernieuwing. Ik was vaak te ongeduldig. Ik investeerde onvoldoende in draagvlak, waardoor het weer snel verdween.
  • Toon lokaal één christelijk/kerkelijk gezicht. Geen verdeeldheid. Ga boven binnenkerkelijk gedoe staan, juist nu kerken krimpen.
  1. Al wordt een paar keer gewaarschuwd tegen ‘somberen’, toch is de toon nogal eens vrij somber, vooral bij de antwoorden op vraag 2. Kerkopbouw is, zo krijg je de indruk, moeilijk en zwaar, vol tegenwind. Geloofsvertrouwen is er wel, niettemin ligt er een zekere matheid over veel antwoorden. ‘Kon ik maar een mooi verhaal vertellen’, verzucht een respondent. Op de achtergrond klinkt soms malaisestemming door, al staan daar nuttige en praktische adviezen tegenover. Ook nuchterheid: ‘Stug doorwerken in de prachtige “modder” die de kerk heet’, schrijft iemand.

Als ik bovenstaande ‘waslijst’ bezie, zie ik ook veel optimisme en (geloofs)vertrouwen in de mogelijkheden. Het beeld is niet eenduidig. Toch lijkt er in enthousiasmerende, inspirerende, spirituele zin werk aan de winkel voor de interkerkelijke stichting.

Persoonlijk mis ik de lichte toets enigszins die wel merkbaar is in het laatste statement in het overzicht: ‘Niet bang zijn, kom uit de kramp, denk out of the box, doe eens gek, wees mens, daal af stijg op’. Zou het toeval zijn dat dit statement afkomstig is van een predikant werkzaam op een pioniersplek in een nieuwbouwwijk?

21 februari 2015                    Daan van der Waals