De gemeente als oefenplek voor geleefd vertrouwen

Het was wel een kruiwagen met kikkers, die enquête van begin januari. De antwoorden schoten alle kanten op en het was lastig er een rode lijn in te ontdekken. De pluraliteit van onze kerken klonk er in door. Van representativiteit is geen sprake, want het lijkt erop dat de voorgangers die affiniteit hebben met een methode als Leven uit de Bron meer dan gemiddeld hebben gereageerd. Het is me niet gelukt al die kikkers te vangen en terug in de kruiwagen te zetten en keurig te sorteren, dus is mijn verhaal van vanmorgen eigenlijk niet meer dan het plaatsen van enkele kanttekeningen bij de onderzoeksresultaten. Ik heb er een paar krenten uitgepikt en die laat ik u alvast even zien:

  • Echt een tijd van afbraak?
  • Zijn we consumentistisch geworden?
  • Back to basics
  • Hoe krachtig is de preek?
  • Missionair werk als stiefkindje?
  • Geleefd vertrouwen als centrale uitdaging

Echt een tijd van afbraak?

In dagblad Trouw heb je tegenwoordig een korte rubriek die gaat over de manier waarop we iets zeggen. Als we iets zeggen of schrijven, dan doen we dat op een bepaalde manier en dat noemen we tegenwoordig framing. Denk aan bijvoorbeeld het glas dat halfvol is of halfleeg. Het gaat om dezelfde werkelijkheid, maar de toon is heel anders. Ik kom op dit punt vanwege een deelnemer aan de enquête die ongelukkig was met de paraplu boven het onderzoek en boven deze dag: ‘Kerkopbouw in een tijd van afbraak’. Hij vond dat we met het woord ‘afbraak’ op de voorhand al een negatieve kwalificatie aanbrengen. Het getuigde in zijn ogen van een manier van denken die haar referentie heeft in het verleden. Iemand anders schreef dat wat we als afbraak typeren, misschien wel vooral de wording is van iets nieuws. Ik vind dit een belangrijk punt. Hoe framen we de werkelijkheid? Afgemeten aan getallen is er inderdaad sprake van een zodanige krimp dat je deze zou kunnen typeren als afbraak, maar doe je daarmee recht aan de ontwikkelingen in kerkelijk Nederland? Ik wil er een paar dingen over zeggen.

Historisch gezien nemen we nu afscheid van een tijdperk waarin de kerk in zekere zin boven haar stand leefde. De 19e eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw waren bovengemiddeld kerkelijke eeuwen, de tijd daarvoor was kerkelijk gezien een stuk magerder. Hijme Stoffels schrijft bijvoorbeeld dat Utrecht in 1593 30 kerkgebouwen telde waarvan er nog maar drie in gebruik waren. Bisschop Eijk had daar vermoedelijk wel raad mee geweten! Stefan Paas schrijft in een nog te verschijnen boek over missionair kerk-zijn onder andere het volgende: “Een serieus, veeleisend christendom krijgt – afgezien van heel bijzondere omstandigheden – niet de handen op elkaar bij de grote meerderheid van de Europeanen. Luther en Calvijn wisten dat in hun tijd overigens ook al, evenals de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 27).” Een serieuze, toegewijde kerk is in Nederland altijd een kleine minderheid geweest. Ik ben geen historicus, maar het is wel goed om zicht te hebben op de plek van de kerk in onze samenleving door de eeuwen heen. Er is veel wat ons verbindt met het verleden. Misschien is veel van wat we nu ervaren en meemaken veel minder nieuw en anders dan wij denken. Maar als er in onze tijd toch echt iets nieuws onder de zon is, dan is dat misschien wel het ontbreken van elke noodzakelijkheid te geloven en deel uit te maken van een christelijke kerk. We leven in een optionele tijd – denk aan Charles Taylor – waarin alles mogelijk is en niets hoeft. Niets is noodzakelijk, geen enkele weg is dwingend, er is geen transcendente sanctiemacht, niets is levensnoodzakelijk, we leven in volle vrijheid. Dat betekent overigens niet dat we allemaal onze hoogsteigen, unieke wegen ontwerpen en gaan. Prachtig is dat uitgedrukt in de titel van een boek over individualisering: ‘Kiezen voor de kudde’. Dat doen we massaal. Keuzevrijheid leidt paradoxaal genoeg soms meer tot eenvormigheid dan tot veelkleurigheid. We kiezen wel zelf, maar dan wel het liefst voor de kudde.

Ik keer even terug naar dat begrip ‘afbraak’. Wat wordt er dan precies afgebroken? Ik begrijp de pijn, ik voel hem zelf ook, maar laten we proberen echt onderscheid te maken tussen wat louter destructie is en wat we mogen zien als deconstructie en mogelijk als opmaat voor een reconstructie. Ik zeg dat vanuit mijn overtuiging dat we in een tijd van transitie leven. Veel van wat ons vertrouwd en misschien zelfs dierbaar is, verdwijnt of verandert. We hebben tegenwoordig bijvoorbeeld niet alleen leegstand van kerken, maar ook van kantoren en van winkels. Het gaat daarbij natuurlijk om heel verschillende zaken, maar alle drie vormen van leegstand zijn getuigen van ingrijpende veranderingen in onze samenleving.

Zijn we consumentistisch geworden?

In dit verband wil ik even toe naar het protest dat in de enquête klonk tegen het proces van individualisering en tegen consumentisme. Ik lees in de antwoorden op vraag 2 veel teleurstelling over het gebrek aan toewijding, trouw, binding en gemeenschapszin. Ik begrijp die teleurstelling heel goed, maar heb toch hier behoefte aan een tegengeluid. Want ergens valt een consumentistische houding mensen niet aan te rekenen. We worden collectief zo opgevoed. In vrijwel alle levensdomeinen speelt het consument-zijn een belangrijke rol. We worden gedwongen te kiezen en dat zet zich vast in ons maatschappelijk en levensbeschouwelijk DNA. We kunnen eigenlijk niet anders dan consument zijn omdat we met dank aan met name het internet alles en iedereen kunnen vergelijken.

Stefan Paas gebruikt twee beelden voor de kerk: de kerk als ziekenhuis en de kerk als restaurant. De kerk als ziekenhuis is de metafoor voor de brede volkskerk: de kerk moet er zeker zijn, want je kunt hem nodig hebben, maar je moet er eigenlijk zo weinig mogelijk komen. Naar een ziekenhuis ga je pas als dat nodig is. Die manier van denken is overwegend voorbij, zeker in de steden. Er is geen noodzaak meer, ook geen heilsnoodzaak. In plaats daarvan komt het beeld van de kerk als restaurant: als het eten er goed is en de bediening prettig, dan ga je misschien nog een keer, maar dat is natuurlijk geen verplichting. Er zijn immers ook nog andere restaurants en bovendien, doorgaans eet je gewoon thuis. Lid worden van een restaurant is een rare gedachte en ober worden in dat restaurant of kok is al helemaal bizar. Je kunt met die manier van denken erg ongelukkig zijn – en daar zijn vanuit het Evangelie ook goede gronden voor – maar je kunt die manier van denken niet alleen maar ontkennen of veroordelen. ‘Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zo zijn de tijden’, zei Augustinus ooit in een van zijn preken. Toegepast op nu: we zijn nu eenmaal voorgeprogrammeerd als consument. Denk bijvoorbeeld alleen maar aan de ziektekostenverzekering en de stoelendans daarin aan het eind van elk kalenderjaar en aan de vergelijking van de medische kwaliteit van ziekenhuizen. Vroeger viel er niets te kiezen, nu word je er bijna toe gedwongen. Er is daarom alle reden om dit ‘consumentisme’ serieus te nemen en niet onmiddellijk te veroordelen. Het zit bij wijze van spreken in ons maatschappelijk DNA. Iemand als de theoloog Pete Ward neemt in zijn boek Liquid Church daarom ook zijn vertrekpunt in de mens als consument. En Stefan Paas stelt onomwonden dat als je in Amsterdam niet uit wenst te gaan van de zinzoeker als consument je er missionair gezien weinig te zoeken hebt. Ik realiseer me heel goed dat dit allemaal heel stedelijk en Randstedelijk klinkt, terwijl jullie overwegend niet in de Randstad en ook niet in een grote stad werkzaam zijn. Over jullie geografische spreiding zou op zich al iets te zeggen zijn, maar dat laat ik toch maar liggen. Maar ook al werk je in ‘overig Nederland’, ook daar heb je ongetwijfeld te maken met de mens als consument. Dat vraagt een grote gevoeligheid van de kerken. De grote uitdaging voor de kerken is daar te beginnen waar mensen zijn – hoe ze denken en handelen – om ze daar vervolgens niet te laten. Denk aan Paulus in Athene in Handelingen 17. Het viel hem daar overigens niet mee en dat is dan wel weer herkenbaar. 



 

Back to basics.

Zo zouden we een belangrijke teneur in de gegeven antwoorden kunnen typeren. Back to basics, terug naar basiselementen van ons geloof. Bijbel, gebed (vaak genoemd), Christus. Die terugtrekkende beweging – in de goede zin van het woord – spoort opmerkelijk genoeg met de opening van het PKN rapport ‘Kerk naar 2025. Een verkenning’. Morgen komt het aan de orde op de synode van de protestantse kerk. Deel 1 handelt over de vraag ‘waarom kerk?’ en heeft als richtingwijzer ‘back to basics’. De vraag is dan natuurlijk: wat is dat dan precies? Wat bedoelen we daarmee? Dat blijft wat onhelder in de antwoorden in de enquête, maar ik wil toch wat contouren schetsen.

Wat me als docent gemeenteopbouw opvalt, is dat er weinig gemeentemodellen of -strategieën naar voren komen. Zelfs Leven uit de Bron wordt als methode eigenlijk niet genoemd. Alleen Jan Hendriks’ aanpak van de waarderende gemeenteopbouw komt tot twee vermeldingen. Het lijkt er op dat we wat zijn uitgekeken op al te veel systematiek en instructies. Dat de kerk maakbaar is, is een tanend geloof. Er is scepsis rond het zoveelste nieuwe model of weer een nieuwe strategie. Een van de respondenten schreef ‘weer een nieuwe methode met een studiedag’. Hij zal hier waarschijnlijk dan ook niet zijn vandaag. Mijn mede-inleider van vanmorgen Mees te Velde zei niet zo lang geleden dat het beter was zijn boekjes over gemeenteopbouw uit het begin van de jaren ’90 maar weg te gooien. Alleen het deeltje over de Bijbelse basisprincipes mocht van hem blijven. ‘Ik heb gemerkt dat we het bij gemeenteopbouw voor we het weten het allemaal weer zelf doen. Die maakbaarheid ging me tegenstaan. Het als kerk móeten formuleren van een visie/missie; het stellen van haalbare doelen, targets, het overal woorden voor zoeken – dat noem ik verbaliteitsoptimisme…’. Ik denk dat deze uitspraak wel zal worden herkend. ‘De hele gemeenteopbouw heeft geen biet geholpen’, zei de gereformeerde socioloog Jan Jonkers al weer een aantal jaren geleden naar aanleiding van 40 jaar gereformeerde gemeenteopbouw. Zo somber ben ik zeker niet, maar het is natuurlijk wel duidelijk dat planmatigheid en systematiek geen reddende engelen zijn. 



 Hoe krachtig is de preek?

Voor mijn volgende twee punten maak ik eerst even een uitstapje naar een recent ander onderzoek, namelijk dat onder PKN dominees in de zomer van 2014. Ik laat u even zien waarover ze bevlogen zijn (per domein):

  • Voorgaan in de zondagse eredienst: 83%
  • Pastoraal werk: 60%
  • Voorgaan bij casualia: 49%
  • Geestelijke toerusting van gemeenteleden: 42%
  • Studeren: 25%
  • Contacten in de samenleving onderhouden: 20%
  • Jongerenwerk: 19%
  • Besturen en leidinggeven: 17%
  • Missionair werk: 15%
  • Diaconaal werk: 8%

Nu vallen er misschien wel methodologische vragen te stellen bij het onderzoek, maar ook dan geven de uitkomsten te denken. Voorgaan in de eredienst doen voorgangers het liefst. Het staat met stip bovenaan. We zien in de enquête van vandaag ook de aandacht voor de eredienst terugkeren, maar dan wel sterk gefocust op de prediking. Dat moet beter en krachtiger, zo zou je de antwoorden kunnen samenvatten. Ik ben uiteraard voor krachtige preken, maar gooi toch ook hier een steen in de vijver. En dat doe ik door wat cijfers te halen uit een Amerikaans onderzoek. Je moet altijd oppassen met dit soort cijfers, maar ik denk dat je ze toch wel kunt navoelen.

Wat onthouden we?

  • 10% van wat we lezen
  • 20% van wat we horen (de preek!)
  • 30% van wat we zien
  • 50% van wat we horen en zien (de beamer in de kerk!)
  • 70% van wat we zelf zeggen (daarom is preken zo mooi!)
  • 90% van wat we zeggen én doen (learning by doing).

Wat is de kracht van prediking, ook als deze krachtig is? Daar hebben we eigenlijk verdraaid weinig zicht op en daarom wil ik er vanmiddag ook een workshop aan besteden. Kun je zeggen dat de gemiddelde predikant bevlogen is over een weinig vruchtbare vorm van communicatie? Prikkelend in dit verband is een uitspraak van een predikant die stelt dat goede muziek mensen soms dieper raakt dan preken. Dat sluit aan bij de constatering van onderzoekster Miranda Klaver dat muziek vaak een belangrijke rol speelt in de persoonlijke geloofsbeleving en in bekeringservaringen. Maar daar is in de enquête weinig aandacht voor. De kerkdienst is daar in vrij hoge mate de preek, zo lijkt het. 



Missionair werk als stiefkindje?

En dan missionair kerk-zijn. Parallel aan de lage score qua bevlogenheid zal ik er ook kort over zijn. Veel kerken hebben daar momenteel oog voor. Er wordt volop gepionierd en kerken experimenteren op grote schaal. Maar die missionaire hausse vind je niet terug in de enquêteantwoorden. Er is zeker missionaire openheid, maar het is geen dominant thema in de antwoorden. Dat spoort met het PKN-onderzoek waarin missionair werk met 15% bevlogenen wel heel mager scoort. Het houdt alleen het diaconale werk achter zich. Dominees zijn toch vooral gericht op de eigen kudde en misschien kan dat ook wel niet anders. Trek je ze niet in een spagaat als ze zowel op ‘binnen’ als op ‘buiten’ moeten zijn georiënteerd? Of is dat klassieke onderscheid in onze dagen achterhaald omdat vroegere scheidsgrenzen zijn vervaagd? De vraag stellen is hem hier bepaald nog niet beantwoorden.

Geleefd vertrouwen

‘Sinds we er nauwelijks meer op durven vertrouwen dat de Heer zijn gemeente bouwt, kost het ons alle avonden’. Met deze mooie en prikkelende uitspraak van Bert Bakker kom ik bij mijn hoofdthema van vanmorgen. Vertrouwen: wat is dat in een tijd van kerkelijke krimp en kaalslag? Gemeenteopbouw begint met het vertrouwen dat het de Heer is die het huis bouwt (Psalm 127). Dat is gemakkelijk gezegd, maar hoe geven we dat vertrouwen dan handen en voeten? En kan dat vertrouwen eigenlijk wel? Is er nog grond voor? We zullen dit soort spannende vragen moeten durven stellen. Als we back to basics willen, en dat lijken we wel te willen als ik kijk naar de enquête, wat zijn dan die basics? Uiteindelijk zal dat toch te maken hebben met het vertrouwen dat het functioneren en de toekomst van de kerk rusten in de drie-ene God. Maar als we dat vertrouwen uitspreken, wat betekent dat dan? Wat zeggen we dan? Wat behelst dat vertrouwen dan in een tijd van naar het lijkt onstuitbare krimp? Hoe voorkomen we dat het uitspreken van vertrouwen in God als de dragende grond onder ons kerk-zijn feitelijk losstaat van onze praktijk? Met andere woorden: hoe leef je dat vertrouwen? Kleurt Godsvertrouwen wezenlijk ons denken over de kerk, onze vergaderingen, onze inzet of is het een prolegemenon dat we vergeten zodra we aan de slag gaan? Het is naar mijn overtuiging in onze tijd absoluut noodzakelijk ruimte te maken voor dit soort fundamentele vragen. We kunnen daar bang voor zijn en er ook tegenop zien, maar we kunnen er alleen met schade voor de gemeente aan voorbij gaan. We zullen met elkaar de diepte in moeten gaan en lastige en indringende vragen aandurven. Gemeenteopbouw is in deze tijd misschien wel meer dan ooit met een Duits woord Vertrauensbildung, dat wil zeggen de opbouw van vruchtbaar en sturend vertrouwen.

Het gaat om geleefd vertrouwen. Dat is geen blind vertrouwen, maar ziend vertrouwen, beproefd vertrouwen, vertrouwen dat fundamentele vragen toelaat.

Als ik nadenk over de toekomst van de kerk, dan komt een woord van rabbi Gamaliël van lang geleden in mijn gedachten. Als hij moet oordelen over de nieuwe, snel groeiende sekte van volgelingen van ene Jezus van Nazareth, zegt hij ongeveer het volgende: “Laat maar gewoon bestaan. Is het iets van Godswege, dan krijgen we het toch niet klein, is het niet iets van Godswege, dan gaat het vanzelf voorbij.” En dan noemt hij een paar bewegingen die allang weer ter ziele zijn. Handelingen 5 doet er verslag van. Ik vind dat een wijs woord van deze Farizeeër! De situatie van toen was natuurlijk een heel andere dan de onze. Tegenover de stormachtige groei waar Gamaliël op reageerde, staat de voortdurende krimp in onze tijd. Maar ook voor nu is het denken van deze Farizeeër vruchtbaar: is de kerk iets van Godswege, dan rolt het balletje wel door, in welke vorm dan ook, is ze het niet, dan is er geen man overboord, dan hebben we ons alleen eeuwen lang vergist. Van deze laatste optie ga ik voorlopig nog niet uit, maar zo’n manier van denken geeft wel wat ontspanning en brengt ons ook terug bij de meest wezenlijke vraag of er een God is die ons kerk-zijn draagt. En laten we niet te gauw zeggen dat dat natuurlijk het geval is. Want in het christelijk geloof is niets natuurlijk.

Om dat wat duidelijker te krijgen, maak ik hier even een uitstapje naar een mooi Joods verhaal. Het gaat over ene rabbi Levi Jitschak die tegen de zin van zijn schoonvader enige tijd bij een chassidische rabbi gaat studeren. Als hij terugkomt, vraagt zijn schoonvader hem: ‘Nou, wat heb je bij hem geleerd?’ Levi Jitschak antwoordt dan: ‘Ik heb geleerd dat er een Schepper van de wereld is.’ De schoonvader roept daarop een bediende bij zich en vraagt haar: ‘Is het jou bekend, dat er een Schepper van de wereld is?’ ‘Maar natuurlijk’, antwoordt ze. ‘Natuurlijk’, riep Levi Jitschak uit, ‘dat zegt iedereen, dat hebben ze allemaal geleerd, maar hebben ze het ook gelernd?’ In ons geloof is niets natuurlijk en niets vanzelfsprekend, we zullen moeten lernen, zeker als het gaat om de vraag wat Godsvertrouwen is en hoe we dat concreet kunnen schenken.

Het is nodig hier bij wijze van spreken alles af te breken en heel serieus dat vertrouwen te gaan bevragen. En dan niet cynisch, maar met open vizier en verwachting. Bouwt Christus zijn gemeente werkelijk? En als dat zo is, hoe gaat dat dan? In de vorm die we kennen of zou hij misschien heel andere bouwplannen hebben? En wat is dan mijn rol als voorganger daarin? Ik ben wel eens bang dat we in onze onrust en pijn rond de krimp van de gemeente de vruchtbare ontspanning van Gamaliël niet meer kennen en herkennen. Toch is het nodig om juist in onze tijd naar deze farizeeër te luisteren en te onderzoeken hoe het zit met gemeente-zijn anno 2015.

Ik rond af. En ik doe dat met wat citaten uit de adviezen die de respondenten door zouden willen geven aan collega’s. Het is echt de moeite waard om die lange lijst nog eens goed te bekijken. Dat lukt nu niet, daarom alleen wat adviezen die mij troffen en bij alle zwarigheid deels ook weer wat lucht gaven:

  • “Stug doorwerken in die prachtige “modder” die de kerk heet.”
  • “Bouwen tussen brokstukken”
  • “Neem voortdurend zonder of onder begeleiding een fikse duik in onze cultuur”
  • “Schroom niet om mensen uit hun baan te duwen”
  • “Wat God van je vraagt wil Hij je eerst geven”
  • “Je familie niet verwaarlozen”
  • “Durf los te laten wat jij graag wilt, maar wat niet werkt.”
  • “Niet wachten op een wonder. Gods hand zie je altijd achteraf.”
  • “Besluit vooral ook wat je niet zult doen”
  • “Doe eens gek, wees mens, daal af, stijg op”
  • “Elke dag ademhalen. Elke dag melk drinken en elke dag een stukje bidden” (RK advies)

Apeldoorn blijven bellen!!