Kerkopbouw in een tijd van afbraak?

Kerkopbouw in een tijd van afbraak?

Marius Noorloos

In het Reformatorisch Dagblad van 27 oktober 2012 trof me het interview met drie Zeeuwse predikanten over de ontkerkelijking in hun provincie onder het pijnlijke opschrift “Machteloos bij kerkelijke krimp”. Pijnlijk is vooral de machteloosheid tegen de grote achteruitgang, die niet alleen in de meeste Prot. Kerken voorkomt, maar evenzeer in de R.K. Kerk.

Krimp is er ook in de andere provincies: de beschikbare gegevens tonen aan, dat van 1966 tot 2006 in ons land de kerkelijkheid is teruggelopen van 67 naar 39%. Dit betekent, dat er jaarlijks ongeveer 100.000 leden de kerken verlaten. Bovendien is een groot deel van de nog ingeschreven leden randkerkelijk, hetgeen vaak een overgangsstadium is naar kerkverlating, zeker voor hun kinderen. Van de omvangrijke krimp is het zichtbare gevolg, dat er veel kerkgebouwen zijn afgebroken of een andere bestemming hebben gekregen. Deze cijfers tonen aan, dat er sinds 1966 een enorme afbraak van het kerkelijk leven heeft plaats gevonden, terwijl de algemene verwachting is, dat de afbraak onverminderd zal doorgaan. Onder de titel Meer dan hout en steen is in 2011 zelfs een dik handboek voor sluiting en herbestemming van kerkgebouwen verschenen. Hierin wordt uitgegaan van het in de komende tien jaar sluiten van ruim elf honderd kerkgebouwen (pag. 14).

Vanwege de alarmerende cijfers dringt zich de vraag op wat van deze afbraak de oorzaak is en of in zo’n situatie nog kerkópbouw mogelijk is.

Invloed van de secularisatie

Algemeen wordt de secularisatie als belangrijkste oorzaak van de ontkerkelijking en daarmee samenhangende ontkerstening gezien. Hierover schrijft bijv. Dr. Heitink in zijn studie over de Europese geschiedenis De golfslag van de tijd: “Er is sprake van een diepgaand secularisatieproces. (…) Daaronder worden verschillende dingen verstaan, maar vooral dat de rol van de godsdienst in de samenleving steeds verder teruggedrongen wordt, dat de kerken leeglopen en het christelijk geloof als geloof in God op zijn retour is” (pag. 45).

Secularisatie heeft niet alleen buiten de kerken een grote invloed, maar ook er binnen en wordt dan interne secularisatie genoemd, door Dr. Dekker in zijn boek Marginaal en missionair vergeleken met een gevaarlijk virus (o.a. pag. 24).

Mijn definitie van secularisatie is afgeleid van haar letterlijke betekenis: verwereldlijking. Deze betekenis herinnert aan de vele waarschuwingen in het NT tegen de wereld als vijand van God. Een van de scherpste uitspraken is te vinden in Jak. 4:4, waar vriendschap met de wereld wordt gelijkgesteld met vijandschap tegen God. Deze tegenstelling is ook te vinden in 1 Joh. 2:15-17 en stemt overeen met de waarschuwing van Jezus tegen het willen dienen van twee heren (Mat. 6:24). Daarom is deze ver-wereld-lijking levensgevaarlijk en niet te combineren met christelijk geloof en kerkelijk leven. Al met al verkeren de kerken in ons land en werelddeel in een ernstige malaise.

Horen om te gehoorzamen

Wanneer het in de Bijbel gaat over malaise, worden mensen altijd opgeroepen voor het ontdekken van de oorzaak en de oplossing te gaan luisteren naar God, naar Jezus of naar de Heilige Geest, die als het ware spreken uit één mond. Een sterk voorbeeld is te vinden in Openbaring 2 en 3, waarin de brieven aan de zeven gemeenten van Klein-Azië zijn te vinden. Hun situatie was vaak niet rooskleurig, maar ze krijgen concreet te horen wat ze hebben te doen of te laten om verder te kunnen en toekomst te hebben. Hoewel de brieven aan deze gemeenten een uiteenlopende inhoud hebben, omdat de situatie per plaats verschilt, bevatten ze alle zeven dezelfde aansporing: “Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt.” Er staat dus niet wat de Geest tot de gemeenten zei in het verleden, maar wat Hij zegt in het heden. Dat betekent dat de Geest niet alleen vroeger iets had te zeggen, maar net zo goed tegenwoordig. Voor veel gemeenteleden is het echter de grote vraag wát Hij dan heeft te zeggen. Daarom is het van levensbelang na te gaan of er aan dit gebrek wat valt te doen. Voor een antwoord op deze vraag lijkt het me goed te luisteren naar de gelijkenis van Jezus over de zaaier (Mat. 13, Mar. 4 en Luc. 8), die in de beschrijving van alle drie evangelisten eindigt met vrijwel dezelfde woorden: “Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.” Een opvallende overeenkomst met de boodschap aan de gemeenten in Openbaring!

In deze gelijkenis maakt Jezus duidelijk dat het goede zaad van Gods woord in maar liefst drie van de vier gevallen geen vrucht kan dragen, omdat het bij mensen niet in goede aarde valt. Daarmee bedoelt Hij, dat ze het niet goed ter harte nemen. In het eerste geval gaat het Woord bij de hoorders het ene oor in en het andere oor weer uit, zodat het geen kans krijgt te ontkiemen. In het tweede geval wordt er slechts oppervlakkig geluisterd, zodat het zaad onvoldoende kans krijgt wortel te schieten. In het derde geval wordt het zaad van het Woord verstikt door “de zorgen van deze wereld, de verleiding van de rijkdom en de begeerten naar al het andere” (Mat. 13:22, Mar. 4:18,19, Luc. 8:14). In al deze gevallen komt er van het goede, kiemkrachtige zaad niets terecht. Dat ligt dus niet aan te weinig kwaliteit van het zaad, ook niet aan een gebrek aan deskundigheid bij de zaaier, maar aan het feit dat de hoorders het uitgezaaide Woord bij zichzelf niet in goede aarde laten vallen. Alleen wanneer mensen aandachtig naar het Evangelie luisteren en het “in een oprecht en goed hart vasthouden”, zoals Lucas het formuleert, zal het veel vrucht dragen. Daarom benadrukt Jezus deze manier van het Evangelie ter harte nemen nog eens met de aansporing “ Let er dan op hoe u luistert” (Luc. 8:18). Dat is ook het beste parool in de huidige malaise van veel kerken. In het licht van deze boodschap is er alleen christelijk geloof en kerkelijk leven mogelijk, wanneer we persoonlijk en samen ons voldoende laten inspireren door de Heilige Geest om Gods beloften en opdrachten ter harte te nemen en in praktijk te brengen.

Een drievoudige vitalisering

Daarom bepleit ik zowel voor persoonlijke geloofsopbouw als voor gezamenlijke gemeente- of kerkopbouw het benutten van drie mogelijkheden om met God in aanraking te komen, een relatie met Hem te laten groeien en die ons leven te laten beïnvloeden. Dit drietal functioneert het beste in onderlinge samenhang. Hierdoor kunnen we gaan ontdekken en beleven wie Hij is, wat Zijn heilzame bedoelingen zijn en hoe volgelingen van Jezus zich hierbij kunnen laten inschakelen.

  1. Gezamenlijke omgang met God in kleine kring, allereerst in het gezin.

Evenals kinderen vanaf hun geboorte niet via standpunten óver hun ouders, maar via ontmoetingen en ervaringen mét hen gaan ontdekken en beleven wie ze zijn en zo gaandeweg een band met hen krijgen, zo kan dat ook tussen God en mensen gaan gebeuren. Hiervoor ligt de basis in het christelijk gezin, van oudsher de kleine kerk genoemd. Wanneer ouders hun omgang met God aan hun kinderen voorleven en doorgeven, kunnen die op hun beurt ontdekken wie Hij is en zich aan Hem leren toevertrouwen en toewijden (Vgl. Ps. 78:4-8). Geloofsopvoeding in de zin van gelovige opvoeding biedt weliswaar geen garantie voor de keus van kinderen en jongeren om mensen te worden in de geest van Jezus, maar het is voor hen wél een belangrijke kans.

Maar ook in andere kringen is de omgang met God nodig, zoals in de kerkenraad als belangrijkste orgaan om leiding te geven aan het kerkelijk leven. Het is onvoldoende, wanneer het begin van de vergaderingen alleen bestaat uit het lezen van een Bijbelgedeelte en een gebed. Ook de sluiting heeft vaak te weinig inhoud. Opening en sluiting hángen er vaak meer bij dan ze er echt bij horen, zodat er weinig samenhang is met het grootste deel van de agenda. Wanneer de omgang met God en elkaar echter te weinig wordt beoefend, blijven de relaties oppervlakkig en ontstaat verzakelijking. Hierdoor blijken veel (oud)leden teleurgesteld te zijn over het functioneren van de kerkenraad en zelfs van de kerk te vervreemden… Alleen wanneer een kerkenraad een geloofs- en gebedsgemeenschap is, kan hij een heilzame werkgemeenschap zijn voor de opbouw van de gemeente.

  1. Persoonlijke omgang met God.

Ruimte en aandacht voor ‘stille tijd in de binnenkamer’ zijn zowel voor veel gemeenteleden als voor kaderleden vaak schaars. Meestal is teveel drukte hiervan niet de oorzaak, maar te weinig animo. Dit gebrek is minstens zo schadelijk voor het geestelijk leven als te weinig eten en rusten voor het lichaam. Wanneer Jezus zich volgens de evangelisten regelmatig alleen terugtrok in de eenzaamheid om te bidden (bijv. Mat. 14:23), hebben Zijn leerlingen dat minstens net zo hard nodig!

  1. Gezamenlijke omgang met God in de kerkdiensten.

In dit kader functioneert de prediking, wanneer die authentiek, eigentijds en persoonlijk is.

  • authentiek: vanuit de Bijbelse bronnen met Jezus Christus als grond en grens;
  • eigentijds: via een communicatie, die aansluit bij deze tijd en cultuur;
  • persoonlijk: door een predikant, die zich laat bezielen door de Heilige Geest.

Om de preek als oefening van de omgang met God en elkaar meer inhoud te geven is het belangrijk die voor te bereiden met afwisselend een tiental gemeenteleden, die hiervoor persoonlijk door de kerkenraad worden uitgenodigd. Hierbij is het niet de bedoeling, dat de voorganger het hoogste woord heeft en het desbetreffende Bijbelgedeelte alvast gaat uitleggen, maar dat hij/zij vooral aandachtig luistert naar wat de deelnemers als boodschap in dit gedeelte beluisteren en vertellen wat het bij hen oproept. Door goed te luisteren naar hun inbreng kan de predikant het ‘landingsterrein’ van de tekst verkennen. Vervolgens worden de antwoorden en de vragen van de gemeenteleden verwerkt in de viering en met name in de preek.

Mijn ervaring met zulke groepen is, dat een dergelijke voorbereiding veel vruchtbaarder is dan een nabespreking van een preek, want vooraf geraadpleegde gemeenteleden zijn extra gemotiveerd om aan de kerkdienst deel te nemen. Bovendien kan de voorganger van een regelmatige voorbereiding met gemeenteleden leren, dat Woord en Geest aan de hele geloofsgemeenschap zijn toevertrouwd en dat zij/hij het dus niet alléén voor het zeggen heeft. Ook met elkaar voor de kerkdienst danken en bidden is van wezenlijk belang om te participeren en de omgang met God en elkaar te beleven.

Een nog bredere en betere voorbereiding gebeurt in een gemeente, waarin alle bijeenkomsten van werkgroepen en kringen beginnen met aandacht te besteden aan het Bijbelgedeelte, dat in een volgende kerkdienst aan de orde komt. Via vermelding in het kerkblad krijgen ook andere gemeenteleden gelegenheid zich voor te bereiden. Hierbij is het van belang enkele open vragen toe te voegen, zodat deelnemers met de tekst niet slechts informatief, maar vooral meditatief leren omgaan. Zowel groepen als individuele gemeenteleden kunnen hun reacties, vragen en suggesties doorgeven aan de voorganger, wanneer deze nog minimaal een week tijd heeft om de inbreng te verwerken. Verder is het wenselijk in de week na de desbetreffende zondag voor belangstellenden een afrondend gesprek te organiseren.

Omdat deze drie mogelijkheden of middelen voor de vitalisering van het persoonlijk christelijk leven en het gezamenlijk kerkelijk leven van wezenlijk belang zijn, verdienen die prioriteit boven bezinning en activiteiten. Hierover gaat het in het volgende onderdeel.

Van ABC naar CBA

Meestal wordt er in de kerk gewerkt volgens de ABC-methode: de meeste tijd van de kerkelijke aandacht en energie worden besteed aan allerlei Activiteiten, Bezinning krijgt veel minder tijd en Communicatie in de zin van openhartige ontmoetingen komt er vaak helemaal bekaaid af. Daarom wordt in gemeenteopbouw via geloofsopbouw gekozen voor de omgekeerde volgorde en dus voor de CBA-methode. In dit model van gemeenteopbouw is er allereerst aandacht voor het geloofsgesprek, aangeduid met de hoofdletter C, waarin de nadruk valt op ons hart. Het geloofsgesprek ontstaat door het beluisteren, overwegen, ter harte nemen en bespreken van een passend Bijbelgedeelte. Vervolgens staat op de agenda altijd ruimte voor het uitwisselen van persoonlijk wel en wee, aangeduid met de kleine letter c. Voor zo’n opening is ongeveer een half uur al voldoende. Aan het eind van een vergadering wordt opnieuw aandacht besteed aan de C/c-factor door ongeveer een kwartier te maken om te danken en/of bidden voor mensen of situaties, die door de deelnemers worden genoemd. Met het samen uitspreken van het Onze Vader en het eventueel zingen van een lied eindigt de vergadering met God, zoals die ook met Hem is begonnen.

Door het prioriteit geven aan de C/c-factor wordt zowel de relatie met God gevoed en verrijkt als die met elkaar. Deze ‘hartversterkingen’ verstevigen de onderlinge verhoudingen, bevorderen een vruchtbare bezinning en stimuleren hierop aansluitende activiteiten. In het kader van gemeenteopbouw via geloofsopbouw behoort de kerkenraad ook andere werkgroepen en kringen te stimuleren aan de C/c-factor prioriteit te geven.

Bezinning of de B-factor doet een beroep op het verstand. Deze factor benutten is nodig om de aanwijzingen van het Evangelie voor de opbouw van de gemeente in haar situatie te vertalen in eigentijds beleid. Hierbij gaat het om toepassing van die aanwijzingen voor bijv. liturgie, pastoraat, diaconaat, vacatures, oecumene, missionair werk en financieel beheer. De kerkenraad dient de B-factor ook te benutten in zijn overleg met andere kaderleden en met de gemeente.

Tenslotte worden als resultaat van een goede communicatie en bezinning in samenspraak met werkgroepen en gemeenteleden in het kader van de A-factor passende activiteiten uitgevoerd.

Een uitgewerkt programma voor gemeenteopbouw via geloofsopbouw is beschreven in mijn boek Leven uit de Bron. Onderdelen hiervan zijn uitgewerkt in Groeien bij de Bron.

Hierin wordt de kerk of gemeente gedefinieerd als een geloofsgemeenschap, die wordt gekenmerkt door:

  • hart voor de Heer (kerk is afgeleid van het Griekse woord kuriakon: wat van de Heer is of bij Hem hoort),
  • hart voor elkaar als zijn leerlingen,
  • hart voor zijn bevrijdend werk in de wereld.

Perspectief

Aan het begin werd de vraag gesteld, of kerkopbouw mogelijk is in een tijd van afbraak. In het vervolg is deze vraag bevestigend beantwoord, als we bereid zijn onder leiding van de Heilige Geest Gods beloften en opdrachten voor dit bouwen ter harte te leren nemen. Alleen dan worden we beschermd tegen de levensgevaarlijke secularisatie en ontvangen we de nodige Geestkracht om niet machteloos bij de pakken neer te zitten, maar vol te houden op hoop van Zegen. Jezus moedigt zijn volgelingen immers steeds opnieuw aan met de opzienbarende belofte, dat ze door geloof en gebed zijn werk op ruime schaal zullen voortzetten (Joh. 14:12-14). Hierdoor kunnen we bouwen aan een missionaire of aantrekkelijke geloofsgemeenschap en de naam van God als de bron van leven en welzijn hoog houden.

Ds. Noorloos was van 1966-1991 gemeentepredikant en van 1991-2004 missionair toeruster in Gelderland. Sindsdien is hij docent/consulent voor geloofs- en gemeenteopbouw.

Voor reacties en informatie: mariusnoorloos@kpnplanet.nl